18 februari 2019
  • Home
  • Balans belichamen

Balans belichamen

Spirituele lichaamssymboliek bij Hildegard van Bingenhildegard-von-bingen

 Thomas Quartier

Verschenen in: De Kovel 3/2013

De MYSTICA HILDEGARD VAN BINGEN lijkt een vrouw in verschillende gedaanten. Haar grafie leert dat ze met een zwakke gezondheid kampte. Maandenlang hield ze het en kon ze slechts met moeite haar
taken vervullen. Toch waren dat de tijden van verdieping en loutering. In andere momenten beschikte ze dan weer over enorme krachten. Op hoge leeftijd ging ze zelfs nog op reis om te verkondigen. Kortom, Hildegard was een fragiele en tegelijk sterke fysieke verschijning. Voorts was ze een integrerende persoonlijkheid die in haar communiteit een grote saamhorigheid tot stand bracht. Maar ze toonde zich ook zeer strijdbaar en ging fel tekeer tegen ongerechtigheid. Soms was ze koppig en leek haar gedrag moeilijk te rijmen met haar verlangen naar gerechtigheid. In één woord, deze profetes was harmonieus én vechtlustig. We weten ook dat Hildegard onderwees in de traditie van haar geloof, vooral de Bijbelse bronnen. Ze noemde zichzelf een ‘ongeletterde vrouw’, gaf alleen maar door wat haar was ingegeven. Toch had ze wel degelijk een eigen inbreng en ze kon daarover met religieuze gezagsdragers bakkeleien tot de spaanders er van af sprongen. Ze was trouwhartig en tegelijk inventief in het bewaren van de traditie.

Wat belichaamt Hildegard? Fragiliteit of kracht? Harmonie of strijd? Gehoorzaamheid of creativiteit? Ze belichaamt het allemaal tegelijk. Dat kan omdat heel haar doen en laten lichamelijk was. Haar zwakte en kracht, haar complexe sociale houding en kritische omgang met de traditionele geloofsleer zaten letterlijk in haar lijf. 1Haar vermogen om te belichamen waar het werkelijk om gaat had met een onfeilbaar gevoel voor balans te maken. Pas als er evenwicht is, kan een mens zijn kracht ontvouwen. Is er een goede balans, dan kan hij zijn persoonlijkheid etaleren en vruchtbaar omgaan met conflict en strijd. Wordt de balans bewaard, dan is het mogelijk op een vrije manier in de traditie van het geloof te staan. Hildegard hield niet van snelle compromissen. Ze kende geen spontane oplossingen en zou al helemaal raar opgekeken hebben van de fitnesstrainingen die vandaag vaak het enige middel zijn om zelfgezochte stress te neutraliseren. Haar ‘strategie’ vormde de weerspiegeling van de kosmos waarin de mens het middelpunt is en waarin schijnbare tegenstrijdigheden zich tot elkaar verhouden zoals de elementen in de natuur. Loopt er iets fout, dan alleen omdat de balans zoek is doordat de mens te sterk op eigen kracht vertrouwt of in vertwijfeling verkeert over zijn zwakheid, doordat hij te krampachtig naar harmonie zoekt of strijdlustig wordt, te slaafs aan de oude boodschap vasthoudt of juist denkt het allemaal zelf te kunnen bepalen. Hildegard wilde dit soort eenzijdigheden vermijden. Maar daarin toonde ze zich ook een kind van haar tijd: ze schuwde geen zijsporen, nam ongewone maatregelen om de balans te herstellen, op alle niveaus.2 Ze benadrukte daarbij dat die initiatieven hun oorsprong vinden in de verantwoordelijkheid voor een goede balans in het fysieke lichaam. Zorg voor een gezonde conditie, dan belichaam je ook de sociale balans en ga je verantwoord met tradities om.

Symbolisch: fysiek, sociaal en traditioneel

Volgens Hildegard is het fysieke lichaam hét symbool voor het geheel en de samenhang der dingen. Alles ontsluit zich in de lichamelijke ervaring. Het lichaam is immers de enscenering van de kosmos, en daarom is de manier waarop mensen met hun lichaam omgaan symptomatisch voor hun hele bestaan. Als symbool voor het geheel verdient het lichaam alle aandacht. Anders gezegd, ‘genezing’ is breder dan de genezing van een fysieke kwaal. Wie geneest, doet dat in de volle zin van het woord: opnieuw de goede balans belichamen in zijn verschijning, houding en positie, ook over de grens van het aardse bestaan heen. Nadenken over wat er in ons lijf zit, raakt volgens Hildegard aan de oorsprong en de bestemming van het leven. En die is goddelijk. Daarnaar verlangt de mens en het is zijn taak enige vaardigheid te ontwikkelen om dat verlangen te hanteren. Geneeskunde is dan ook een manier om met je kosmische bestaan om te gaan, als schepsel met een goddelijke oorsprong.

Wie nu denkt dat kruidenthee en stenen op je buik slechts onderdelen van een ‘spiritueel’ repertoire voor vage geesten zijn, vergist zich. Het fysieke lichaam is wel degelijk gebaat met medicinale maatregelen en recepten die de aardse realiteit bijsturen. Maar ook vergist zich diegene die ervan uitgaat dat de geneeskunde van Hildegard niet symbolisch zou zijn en dus zomaar kan worden toegepast op huidige ziektebeelden. Zonder de verwijzende dimensie naar spirituele realiteiten is Hildegards geneeskunst zinloos.

Wat is het lichaam? Volgens de Franse theoloog Louis-Marie Chauvet kent het meer dan één dimensie: “Het idee van belichaming brengt de symbolische orde tot uitdrukking dat een mens niet een lichaam heeft, maar een lichaam ís.”3 Mensen die met elkaar omgaan en zich door een ideaal of door de liefde laten verbinden, vormen een ‘sociaal lichaam’. Maken ze deel uit van een oeroude gewoonte door bijvoorbeeld samen psalmen te zingen, dan vormen ze een ‘traditioneel lichaam’. Maar dat kan alleen door eerst het ‘fysieke lichaam’ te aanvaarden. Wie niet lekker in zijn vel zit, kan geen gemeenschap stichten. Andersom uit het gebrek aan saamhorigheid zich in het fysieke lichaam. De ene kwaal leidt tot de andere, de ene kracht veronderstelt de andere. Ook voor het ‘traditionele lichaam’ geldt dit. Denken we aan de psalmen: het fysieke lichaam is de ruimte waarin ze resoneren. Tegelijk wordt het lichaam deel van de lofprijzing van de schepping, het immens grote ‘traditionele lichaam’.

Dat alles veronderstelt een goede balans tussen innerlijk en uiterlijk, op het fysieke, sociale en traditionele niveau. De patroon van Hildegard, de heilige Benedictus, schreef overigens ook in zijn monnikenregel: “Verrichten wij ons psalmgezang zó, dat ons hart in harmonie is met onze woorden.” (RB 19,7) De symboliek van Hildegard is de belichaming van die harmonie. De composities van de middeleeuwse magistra zijn gave staaltjes van de zoektocht naar harmonie. Tot op de dag van vandaag inspireren ze velen. Onlangs hoorde ik iemand zeggen: “De gezangen van de heilige Hildegard zijn een geneesmiddel voor de ziel.” Dat klopt, maar laten we niet vergeten dat de ziel deel uitmaakt van het lichaam, ze vormt er een eenheid mee en zorgt voor de balans tussen binnen en buiten, het eigene en het andere, dat wat je ontvangt en wat je geeft. Hildegards muziek is op de eerste plaats een geneesmiddel voor het lichaam. Aandacht besteden aan dat lichaam doe je langs vele wegen: muziek, woord, lijfelijk contact, voedsel en geneeskunde.

Hermeneutiek – verleden, heden en toekomst

Het ene lichaam, met zijn fysieke, sociale en traditionele dimensie, is het andere niet. Mensen veranderen, samenlevingen evolueren en ook de traditie wijzigt. Gelukkig maar, anders had een dynamische geest als Hildegard niet lekker in haar vel gezeten. Ook voor de lichaams- symboliek geldt dat we haar inzichten moeten vertalen vanuit het verleden, in het heden en voor de toekomst. Uiteraard ligt aan alle lichamelijkheid een universeel gegeven ten grondslag: de schepping. De bekwaamheid die je verwerft om de natuurlijke balans te belichamen, is afhankelijk van omstandigheden. Het lichaam staat in dialoog met de omgeving. Wil je echter iets van de wereld, de kosmos en de schepping begrijpen, dan moet je ook je lichaam kennen. Hier komt hermeneutiek om het hoekje kijken: je moet weten wat goed voor je lichaam is en interpreteren wat het lichaam je vertelt – wat je ontvangt, wat je bent en wat je doorgeeft. Alle drie de dimensies zijn in het geding: het woord van de traditie kan slechts concreet worden door een fysieke belichaming. En het sociale woord dat mensen spreken is aan het lichaam gebonden. Chauvet verwoordt dit als volgt: “Ieder woord dat in een soort doorzichtige zuiverheid gesproken zou worden is een illusie, geen woord ontsnapt aan de noodzaak in een lichaam gegrift te zijn, een geschiedenis, een taal. Dat is de wet.”4 Volgens de hermeneutische wet van de voortschrijdende geschiedenis is de huidige lichaamsbeleving anders dan die van Hildegard, en haar belichaming van het monastieke charisma verschilde zeker aanzienlijk van die van de heilige Benedictus.

Alleen echte vertaalkunst stelt ons in staat goede lichamelijke wegen in fysieke, sociale en traditionele zin te zoeken. Daar was de magistra zich terdege van bewust, zoals blijkt uit haar reactie op lichaamsvijandige praktijken in haar tijd. Hildegard meed elke vorm van gekwelde vroomheid. Op zon- en feestdagen liet zij haar zusters witte doeken dragen in plaats van de zwarte sluier. En zij vermaande jongeren die aan zelfkastijding deden: “God wil barmhartigheid, geen lijden.” Dat accent, waarin ze afweek van haar ascetische leermeesteres Jutta van Sponheim, leidde tot twee mooie scènes in de bekende film Vision. Het zijn sleutelscènes waarin Hildegards manier van belichaming tot uitdrukking komt. Door schoonheid te tonen (fysiek), ontstaat gemeenschap (sociaal) en blijft het geloof levendig (traditioneel). Voorts moet het lichaam in balans blijven en mag het niet vernietigd worden.

Hildegard ontpopte zich tot leermeesteres van die balans. In zekere zin was zij een uitstekende ‘hermeneutica’. Ze legde uit wat in haar tijd, onder de toenmalige leefcondities, de kern van een symbolische belichaming van het grotere geheel is, vanuit het verleden voor de toekomst. Die vertaalslag dient steeds opnieuw te gebeuren, op het fysieke, sociale en traditionele plan. Wat volgt is daartoe een bescheiden aanzet in enkele impressies rond kerncitaten en -ideeën.

Fysiek lichaam – groenkracht

Hildegard besteedde veel aandacht aan het lichaam. Een van haar twee werken die daarover handelen, Causae et curae (Oorzaken en behandelingen), is een verzameling van geneeskundige wetenswaardigheden. Wat voor moderne lezers een rariteitenkabinet lijkt te zijn, stoelt op het typisch middeleeuwse wereldbeeld dat juist veel breder is dan de concrete kwaal die Hildegard op het oog had. De vier elementen vuur, water, lucht en aarde, alsook de primaire kwaliteiten van warmte, koude, droogheid en vochtigheid spelen daarin een voorname rol. Ze dienen in balans te zijn. Uniek voor Hildegards benadering is de rol die ze weglegt voor de zogenaamde ‘groenkracht’ (viriditas) in ieder schepsel. Dat is de levenskracht, de scheppingskracht of de creativiteit. De groenkracht maakt dat de fysieke balans tussen elementen en eigenschappen gewaarborgd blijft.

Door de zonde gaat de mens echter een andere kant op dan zijn groenkracht. Dan is de balans zoek en ontstaat ziekte. Maar gelukkig is een terugkeer altijd mogelijk. Hildegards antropologische insteek in haar geneeskundige geschriften verraadt zich in het feit dat ze erkent dat het fysieke lichaam door de ziel veranderd kan worden. Het is haar om de hele mens te doen, niet om een deeltje ervan.5 Een sleutelpassage uit Causae et curae luidt:

De ziel is vurig, vochtig, en ze neemt bezit van heel het hart van de mens […]. En toen God zijn levensadem in hem blies, werden zijn bouwstoffen, dat wil zeggen zijn beenderen, zijn merg en zijn aders, door deze levensadem sterk gemaakt […]. Zo zetelt Gods levensadem in het hart. […] De groenkracht van de ziel stuurt schuim en vochtigheid naar het hoofd, dat wil zeggen naar de hersenen.6

De mens heeft de elementen en eigenschappen, die bij het middeleeuwse mensbeeld horen, in zich. Niet toverij kan hem genezen, maar een gebalanceerd gebruik van zijn groenkracht. Die brengt hem weer dichter bij de kracht waarvan hij doordrongen is, maar die hij al te vaak vergeet. Daar staat de ‘vochtigheid’ in dit citaat voor. Het beeld dat Hildegard van het fysieke lichaam heeft, is in principe heel positief, alleen moet de mens telkens weer de keuze maken, zijn vermogens wakker roepen en niet de droogte de overhand laten krijgen.

Het is duidelijk dat de lichamelijke kracht voor Hildegard in eerste instantie van spirituele aard is. De vertaling van de fysieke richtlijnen dient daarom op spiritueel vlak te gebeuren. Als benedictines herinnerde de magistra zich altijd het appel dat haar ordepatroon in de proloog van zijn Regel formuleerde: “Laten wij dan onze lendenen omgorden met het geloof en met de trouw in het volbrengen van het goede.” (RB Prol. 21) Als de mens het geloof gebruikt om zich te bezinnen op de geest in zijn fysieke lichaam (“de lendenen omgorden”), dan is hij in staat de goede balans te vinden en te belichamen.

Sociaal lichaam – persoonlijkheid

Hildegard spreekt in Causae et curae niet expliciet over de gemeenschap, behalve als het over de geslachtsgemeenschap gaat. Toch schetst ze ethische implicaties voor wat je een sociaal lichaam kunt noemen. De profetes gaat daarbij uit van kenmerken, vooral zwakheden (flegmata), van elke menselijke persoonlijkheid. Het doel is de belichaming van een sociale balans. Volgens Etty Mulder is dit kenmerkend voor haar manier om op zoek te gaan naar betekenis: “Er is weinig zo belangrijk in het zoeken naar de herkomst van haar ‘beelden’ als – gewoon – haar eigen persoonlijkheid.”7 De existentiële zoektocht voltrekt zich diep in de mens. Daarvoor hebben mensen elkaar nodig, moeten zij een ‘sociaal lichaam’ vormen.

Het welslagen van deze belichaming is echter niet vanzelfsprekend. Hildegard beschrijft hoe de mens zijn onschuld en onbevangenheid verloren heeft. Over het einde van het oorspronkelijke sociale lichaam, de zondeval, zegt ze: “Omdat de mens toestemde in het kwaad en het goede naliet, werd hij gelijk aan de aarde die zowel goede en nuttige als slechte en onnuttige kruiden voortbrengt en die ook een goede en een slechte vochtigheid in zich heeft.” Vanaf dat moment dient de mens ‘zich te gedragen’, want er zijn karakters die zonder een ethisch verantwoorde interactie niet met elkaar kunnen leven: “mensen die vasthoudend zijn, mensen die overvloeien, mensen die uitvliegen maar ook weer snel blij zijn en ten slotte mensen die triestig zijn en verlegen”. De mens neigt tot karaktereigenschappen die hem uit balans dreigen te brengen en die tevens de sociale balans verstoren. Het behoort daarom tot ieders verantwoordelijkheid om elkaars zwakheden in balans te brengen. Mensen moeten hun eigenschappen wederzijds tot een harmonisch geheel maken en elkaars persoonlijkheden helpen ontwikkelen. Daardoor kan weer een sociaal lichaam ontstaan.

Het evenwicht krijgt hier een spiritueel impuls: als het individu lekker in zijn vel zit, kan ook de gemeenschap bloeien door de groenkracht van al haar leden. Maar daarvoor moet een balans tot stand worden gebracht waarin ook de zwakheden een plek hebben. De benedictijnse grondslag voor dit sociale lichaam is apert. Benedictus zegt dat de monniken die met elkaar in gemeenschap leven “elkanders zwakheden, lichamelijke zowel als morele, met het grootste geduld moeten verdragen” (RB 72,5).

Traditioneel lichaam – Geest

De laatste dimensie van belichaming is de traditie. Mensen worden deel van een traditioneel lichaam als ze de mythische ruimte betreden waarin de grote verhalen van oorsprong en bestemming weerklinken. Hier raken de uitersten van gehoorzaamheid en creativiteit elkaar. En daarom poneert Heinrich Schipperges: “Hildegards wereldbeeld is uit een langzaam gegroeid en gerijpt leven voortgekomen, haar ontvankelijkheid en haar profetische attitude horen bij elkaar.”8 De Teutoonse profetes kan de traditie vertolken omdat ze noch de slaafse gehoorzaamheid, noch de creatio ex nihilo kent. Een ‘traditioneel lichaam’ veronderstelt een groeiproces in de traditie én een bezieling door de goddelijke instantie van de Geest.

Het gaat er in de traditie uiteindelijk om deel te hebben aan de goddelijke oorsprong.
De mens kan volgens Hildegard zelfs goddelijk worden, en dit vanaf het prille begin:  De heilige Geest doordringt de natuur van de mens, zoals dat gebeurde bij profeten, wijzen, goeden, rechtvaardigen en elke uitverkiezing waarmee Hij hen naar zich toe trekt. Want zoals de bliksem de hemel doorstraalt en doorlicht, zo overwint de doorstroming van de heilige Geest de wisselvallige natuur van de mens, zoals geschreven staat: alles wat uit God geboren wordt, overwint de wereld en zondigt niet meer. (Causae et curae, 40) In de ogen van de profetes helpt de Geest de mens daadwerkelijk een deel van de ‘traditie’ te worden, het eigen leven te plaatsen in het grote geheel van ‘ontvangen’ en ‘doorgeven’.

Opmerkelijk is dat in het bovenstaande citaat de link met het sociale lichaam direct zichtbaar wordt: de mens “zondigt niet meer”. Wie de traditie in haar alomvattende betekenis belichaamt, wandelt op het goede pad. De zondeval is dan wel niet ongedaan gemaakt, maar er ontstaat niettemin een gedrag in de geest van een belichaamde balans.

Ook aan dat aspect van Hildegards ‘lichamelijk’ wereldbeeld, beantwoordt een monastieke gevoeligheid. In de proloog van de Regel van Benedictus lezen we: “Naarmate men voortgang maakt in het monniksleven en in het geloof, verruimt zich het hart en snelt men met een onuitsprekelijk blije liefde voort langs de weg van Gods geboden.” (RB prol. 49) De ethiek van het sociale lichaam maakt het ‘hart ruim’, zodat de traditionele belichaming kan geschieden. Een ruim hart is open om te ontvangen en door te geven waar het in de traditie echt om gaat: de Geest die mensen bezielt.

Belichaamde balans

Wat belichaamt Hildegard? Fragiliteit of kracht? Harmonie of strijd? Gehoorzaamheid of creativiteit? Uit de korte impressies leren we dat het telkens om beide polen gaat. Het fysieke lichaam wordt doordrongen door de ziel en kan daardoor omgaan met broosheid en kracht.

Het lichaam beschikt over groenkracht die voor progressie zorgt. Het sociale lichaam brengt balans in de interactie van persoonlijkheden doordat mensen elkaars zwakheden verdragen. Zo ontstaat een dynamisch geheel waaruit valse harmonie en zinloze strijd gebannen zijn. Ten slotte krijgt het traditionele lichaam vorm dankzij de Geest die mensen steeds opnieuw bezielt. Hildegard heeft daarbij een groot vertrouwen in de mens: “[Hij] is ongekend rijk aan talenten, vol kracht, in alle opzichten is hij centrum.”9 Dat vertrouwen is gegrond: ieder mens heeft, net als magistra Hildegard, verschillende lichamelijke gedaanten. Het is het wonder van de belichaming dat daar balans in komt en dat de mens de kosmos mede op koers houdt.

Dát is de echte geneeskunde van Hildegard: niet de kruiden en de edelstenen, maar de opdracht om de goede balans te belichamen.

Thomas Quartier (°1972) doceert liturgische en rituele studies aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Hij doet onderzoek naar liturgische spiritualiteit in de monastieke traditie en publiceert daarover in diverse bladen. Quartier is als benedictijns oblaat verbonden aan de St.Willibrordsabdij in Doetinchem.

1 Deze bijdrage draag ik op aan Hannah Ruth, geboren op 8 februari 2013, bron van groenkracht, begin van belichaamde balans.

2 Christian Feldmann, Hildegard von Bingen. Nonne und Genie, Freiburg i.Br., 2008. Vgl. Thomas Quartier,

Liturgische spiritualiteit. Benedictijnse impulsen. Heeswijk, 2013, blz. 81-92.

3 Louis Marie Chauvet, Symbol and Sacrament, The Liturgical Press, Collegeville, 1995, blz. 146-151.

4 Vgl. Chauvet, blz. 151-152.

5 Hildegard von Bingen, Ursprung und Behandlung der Krankheiten, übersetzt und eingeleitet von Ortrun Riha, Abtei St. Hildegard / Beuroner Kunstverlag , Eibingen / Beuron, 2011, blz. 13-14.

6 Hildegard van Bingen, Oorzaken en behandelingen, vertaald door Louis van Hecken, SHB, Rumst, 2011.

7 Etty Mulder, Hildegard. Een vrouwelijk genie in de late middeleeuwen, Ambo, Baarn, 1982, blz. 85.

8 Heinrich Schipperges, “Einführung“, in: Hildegard von Bingen: Heilkunde, Otto Müller, Salzburg, 1957, blz. 15.

9 Etty Mulder, blz. 84.